Kiss and Ride

 

Een koude winteravond. Ijzige wind snijdt door mijn gezicht. Ik sta aan het station van Brugge, op de zogenaamde Kiss And Ride-strook aan het Albertpark te Brugge. De stationsklok geeft aan dat het iets voor zeven uur is.

In Brugge is altijd discussie geweest wat nu de voor- en wat nu de achterkant van het station is. Voor mensen die in St.Michiels wonen (zoals ik er één van was) is de voorkant het gedeelte dat uitgeeft op onze gemeente, voor de Bruggeling zelf was dit de kant die uitgeeft op het Albertpark. En eigenlijk was dit toen de meest juiste uitleg, want het hoofdgebouw stond daar wel effectief – wat zich aan de andere kant bevond was gewoon de uitgang van een tunnel die leidt naar de perrons.

Sinds een paar jaar is dit veranderd, en is alles voor de buitenstaander nog ingewikkelder geworden. Brugge heeft er aan de achterkant een prachtig stationsgebouw bijgekregen, waarbij men van de gelegenheid heeft geprofiteerd om er een monumentaal gebouw bij te integreren waar heel wat stads- en openbare diensten gegroepeerd zitten. Het zogenaamde ‘Kamgebouw’, waarvan een onderdeel het ‘Jacob Van Maerlantgebouw’ wordt genoemd. Het station heeft nu effectief twee voorkanten, raak daar maar eens aan uit.

Enfin, het is natuurlijk maar wat je prachtig noemt… Het gebouw is hypermodern, maar een mirakel voor wie de buurt van vroeger goed heeft gekend. Vroeger was er niks dan een slecht onderhouden spoorwegberm, een heuvelrug als het ware, niet echt een visitekaartje voor Brugge als je van de autostrade naar de binnenstad reed. Of hoe men op een zakdoek een monument kan bouwen.

Deze kant van het station is nu monumentaler dan wat Bruggelingen ‘de voorkant’ noemen.

Maar nu sta ik dus aan de andere kant, klaar om mijn vrouw op te pikken die er een dagje cursus op zitten had ergens te lande. De trein is te laat, en op die Kiss and Ride mag slechts een kwartiertje geparkeerd worden. Af en toe lopen overijverige parkeerwachters rond die maar al te graag een papiertje uitschrijven om zo aan hun streefdoel aan boetes te raken. Goedkoop, maar hoe zou je zelf zijn mocht je zo’n functie hebben? Ik heb dus ogen tekort. Enerzijds houd ik de uitgang van het station in de gaten, anderzijds kijk ik rond om te zien of geen parkeerwachter op komt is, en tegelijkertijd probeer ik wat van de sfeer op te snuiven. In Brugge, aan het station, is altijd wat te beleven. Toeristen het jaar rond, soms de meest kleurrijke en met de gekste manieren.

“Mijnheer!”

Ik had hem eerst niet gehoord of gezien, maar ineens staat een mannetje voor me. Een molshoop groot, een jaar of zeventig, met zo’n petje op dat men in de Vlaanders draagt op den boerenbuiten. Hij krabt ergens waarvan ik er een degout van heb om op te kijken.

“Mijnheer, ik zou eens iets moeten vragen…”

Er zijn mensen die zo’n mannetje een schop zouden geven, waarbij hij met zijn neus in de waterpartij zou terechtkomen op het stationsplein. Maar waarom, eigenlijk ? Ons leven is al zo kort, dat het me nutteloos lijkt om mensen zinloos pijn te doen. Zeker als ze beleefd zijn en van het beschaafde soort lijken. Die man is er zo één. OK, hij ziet er wat gehavend uit, en ruikt van ver naar een overconsumptie aan alcohol. Niet zijn schuld. Het station heeft nu ook enkele nieuwe horecazaken, en daar vloeien de streekbieren rijkelijk. Aan veel te dure prijzen, maar als iemand dit wil betalen, wie ben ik om daartegen te protesteren en een betoging te organiseren aan het Vredesplein in Peking ? Wie zou ginder trouwens aandacht schenken aan mijn betogen ? Zou ik daar niet worden opgepakt en nadien gegeseld, vermoord zelfs ? Zou mijn lichaam niet ergens aan de zijkant van een autostrade worden gedumpt, worden opgeraapt door malafide vleeshandelaren, en zou mijn vlees niet worden verwerkt in Europese lasagna ?

“Mijnheer…”

Hij heeft nu al drie keer ‘mijnheer’ tegen mij gezegd. Eigelijjk is dit al een eer. Normaalgezien noemt men mij hooguit ‘Pol’, of ‘Ei!”. Zo van “Ei, oewist?”, waarbij ik dan het ei ben. Ik voel me niet echt goed als men ‘mijnheer’ tegen mij zegt, de macht der gewoonte misschien. De man kijkt me indringend in de ogen, en ik kijk terug met een blik van: zeg nu maar wat op je lever ligt, ik ben één en al oor. Ik laat ondertussen een onhoorbare wind, maar who cares ? Ik sta toch buiten, niemand die het ruikt.

“Euh mijnheer, kun je me zeggen hoe laat morgenvroeg de trein van halfzes naar Gent vertrekt?”

Ik antwoord eerlijk: “Het spijt me zeer, mijnheer, maar ik sta hier te wachten op mijn vrouw. Ik neem heel zelden de trein, tenzij ik ergens naartoe wil waarbij ik geen zin heb de auto van stal te halen. Had ik die informatie geweten, ik zou het je zeker hebben kond gedaan,  maar hoe laat de trein van halfzes vertrekt, sla me dood, ik weet het echt niet.”

“Mijnheer, ik ben nu vierenzeventig jaar. Je denkt toch niet dat ik nu nog iemand dood zal slaan omdat die niet weet hoe laat mijn trein vertrekt ? Daarbij, geloof me vrij, die trein kan me vierkant gestolen worden. Ik dacht zo van ‘daar staat een idioot zich te vervelen, laat ik maar eens een domme vraag stellen’. Als dank krijg ik letterlijk je stank te verwerken, want denk niet dat ik niet geroken heb dat je een scheet hebt gelaten. Gore vuilaard!”

Ik kijk op de grond, en zie een wikkel liggen van een koetjesreep, een snoep waar ik als kind gek op was. Onlangs proefde ik er nog eens ééntje (gekocht in de Wibra), maar het smaakte helemaal niet meer. Of hoe smaakpapillen kunnen kuren krijgen met de jaren.

Het feit heeft me zodanig aangegrepen dat ik zin krijg om een absurd stukje te schrijven waarbij de combinatie koetjesreep en stationsgebouw van Brugge centraal zullen staan. Of zo’n stukje er ooit zal komen is nog maar de vraag…

Advertenties

Over Thomas Pannenkoek

Ik ben wie ik ben, vraag mij niet waarom.
Dit bericht werd geplaatst in filosofie en getagged met , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.