Buurman…

1

Buurman H kwam naar buiten toen ik zijn kant van de haag aan het snoeien was. Hij was nog niet zo lang geopereerd aan keelkanker, en ik zag eerlijk gezegd zijn vrouw niet in staat om met zo’n loeierd van een elektrische schaar aan de slag te gaan. Je mag nog zo goed opletten, voor je het weet loopt het verkeerd. Zoals die keer dat ik een zenuw in mijn vinger heb doorgezaagd (het bloed spoot in het rond, en man, wat deed dit pijn!) of die twee keer dat ik de verlengdraad heb kapotgesnoeid.

Ik was zonder verwittigen langsgekomen. Ze hebben een woning waar niks is afgemaakt, iedereen kan er vrij in komen en rond de woning wandelen. Niet dat dit door mij zo vaak gebeurt, want er bestaat nog steeds iets als respect voor elkaars privacy.

Zo was in het begin dat we er woonden één van onze buurvrouwen een frisse en fraai gebouwde jongedame. Steeds welgemutst, zeer sociaal. Als het warm was en de zon scheen kon je er donder op zeggen dat ze minuscuul gekleed breed gesticulerend de ramen zou lappen rondom de woning. Niks mis mee – een mooi zicht voor wie toevallig voorbijkomt. Nadien zette ze een vrolijk muziekje op, en installeerde ze zich achteraan in de tuin. Enfin, zo veronderstelden we toch. Eén iemand zal kunnen bevestigen of dit al dan niet gebeurde, dat was onze H.

Ooit was ik de auto aan het wassen op de oprit, en was ik getuige van de ramenshow van die bewuste buurdame. Ze droeg een wit bikinietje met gele bolletjes. Van die bolletjes ben ik niet helemaal zeker, want ze stond op ongeveer zevenenveertig meter van mezelf. Voor hetzelfde geld waren het gele vlindertjes of iets anders. Ze zag me bezig, en riep vrolijk goeiedag. Ik zwaaide terug met mijn zeemvel en stelde voor te ruilen. Ik zou haar ramen poetsen, en zij zou de auto wassen. “Oké!,” riep ze vrolijk, maar we deden toch elk ons eigen ding voort.

Haar ramen waren al een tiental minuten klaar, toen ik nog steeds aan onze wagen aan het frotten was. Eén keer om de zes maand poetsen is te weinig, weet ik ook wel, maar er zijn altijd uitvluchten om het niet te hoeven doen. Toen zag ik H. aan komen sluipen vanuit zijn achterdeur. Naar gewoonte floot hij een deuntje terwijl hij langzaam maar bewust naar zijn doel toe stapte. Hij wist dat er een obstakel op zijn weg stond, namelijk die buurman die de auto aan het wassen was. Hij knikte in mijn richting en gaf de nutteloze opmerking dat het mooi weer was. Tuurlijk was het mooi weer, wie zag dit niet? Schijnbaar slenterend stapte hij door naar de woning van de overburen, waarvan hij wist dat de heer des huizes buitenhuis aan het werk was. Zonder aanbellen stapte hij recht naar achter, waar hij allicht hoopte dat buurvrouw lag te zonnebaden. Wetende dat de dame geen last had van schroom, had ze in mijn fantasie haar bikini ingeruild voor iets frissers, want toen was ‘monokini’ nog volop in.  Wat vervelend moet het dan zijn dat een buurman ongevraagd je vrijheid komt storen voor lege smalltalk, zich ondertussen vergapend aan je lichaam.

Destijds, net voor onze verhuis, heb ik onze tuin voorzien van wat haag- en poortwerk om zoiets te vermijden. H. had dit niet gedaan, en zo kon ik die zaterdagmorgen ergens eind mei van het jaar 2002 nogal lawaaierig en luid met mijn laarzen stappend onze elektrische kabel klaarleggen voor de grote snoei aan zijn kant. Aanbellen vond hij zelf niet nodig (“Maar Thomas toch, we zijn toch buren?”), maar zelf voel ik me er niet gemakkelijk bij. H. zag er niet goed uit – ik slikte toen ik hem zag. Kilo’s vermagerd, een sterk getrokken gezicht. Ik concentreerde me op het snoeiwerk en de elektrische schaar deed zijn werk.

“Thomas, mag ik iets vragen?” hoorde ik relatief stil  tijdens een korte pauze van de machine.

“Thomas, als ik er niet meer ben…” Ik onderbrak met de zinloze woorden: “H., wat is me dat nu?”

“Ik meen het… Als ik er niet meer ben, wil jij dan de haag blijven snoeien, want…”

“Niets mee inzitten, man, het zou kunnen zijn dat ik er al lang niet meer ben als jij de pijp uitgaat, maar wil het ongeluk toch toeslaan, wil ik gerust regelmatig eens langskomen met mijn verschrikkelijke schaar!”

H. wist meer dan ik. Voor hem was zijn ziekte, waarbij hij nochtans aan de beterhand leek, uitzichtloos. De voordien zo stoere zelfverzekerde man was ineens afhankelijk. Het roken mocht hij vergeten, het alcohol drinken evenzeer. Dat laatste heeft hij aan zijn voeten gelapt. Elk verwerkt tegenslagen op zijn manier, sommigen kunnen het helemaal niet verwerken. We zagen H. langzaam veranderen in een plant, tot de ganse straat op een dag een envelop in de bus kreeg met een donkere rand. Ook wij. Ik moest de brief niet openmaken om te weten wat de boodschap was…

Advertenties

Over Thomas Pannenkoek

Ik ben wie ik ben, vraag mij niet waarom.
Dit bericht werd geplaatst in filosofie en getagged met , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s